Test 20

1.
Tijdens een onderzoek ter terechtzitting, staat verdachte G. terecht voor vernieling van een kaartverkoopautomaat. Als de rechtszaak in volle gang is, schreeuwt een vriend van G. plotseling vanaf de publieke tribune naar de officier van justitie: "Vuile schoft, je weet heel goed dat G. onschuldig is, je wilt hem gewoon een oor aannaaien!" De rechter beveelt de vriend om de rechtszaal onmiddellijk te verlaten.

Wat geldt voor onderstaande beweringen?